vrijdag 27 januari 2012

Dromen


Het is juni, midden in de week en het is om tien uur ‘s ochtends al goed warm. Echt zomerweer. Mooi dagje om te gaan winkelen in een naburig dorpje denkt ze. Ze geniet langzaam van haar koffie. Kan ik eindelijk dat winkeltje met prullaria eens gaan bekijken. Misschien kom ik iets leuks tegen.
Tegen twaalf uur stapt ze in haar auto en een kwartiertje later parkeert ze haar auto op een parkeerterrein ten zuiden van de winkelstraat. Hier is het gratis....mooi meegenomen, het enige nadeel is dat dat speciale winkeltje nu helemaal aan het andere eind is.
Het is een oud dorp, misschien zelfs een kleine stad aan een grote rivier. Ze was hier een keer eerder als kind, jaar of elf. Maar daar kan ze zich weinig meer van herinneren. De panden in de winkelstraat zijn oud. Op een van de oudste staat zelfs 1718 op de gevel. Ze dwarrelt van de ene winkel naar de andere, zonder iets te kopen. Halverwege drinkt ze een espresso bij een zaak die koffiebonen verkoopt. Ze geniet van de lucht van de verse bonen terwijl de espresso over haar tong danst. Half drie en de temperatuur is opgelopen tot zo’n 23 graden. Heerlijk. Dit is genieten en ze denkt aan het winkeltje met snuisterijen dat op haar wacht.
Tegen vier uur staat ze voor het pand. 1789 is in de klei geschreven. Beetje onbeholpen handschrift. ze glimlacht en denkt ik zou het geschreven kunnen hebben. De winkel ligt iets lager dan de andere winkels. De ramen aan weerszijden van de deur beginnen bij de stoep en om bij de deur te komen moet ze eerst twee treden naar beneden. Iets houdt haar tegen om daadwerkelijk die twee stappen te zetten. Dan heeft ze ineens de ronde knop van de deur in haar handen. Ze staat er zelf van te kijken alsof iemand haar een duwtje in de rug gaf en haar hand om de knop legde. Ze kijkt verbaasd naar haar hand en de glad houten deurknop. Ze draait de knop om, heel langzaam en voor ze het zelf beseft staat ze aan de andere kant van de deur. In de winkel. Raar dit, alles gebeurt in vlagen, alsof ik zelf niets te zeggen heb. Ze laat de deurknop los en heeft daar op acuut spijt van. Op het moment dat ze de knop los laat wordt ze bevangen door een ijzinge kilte. Haar haren staan recht op haar armen. Ze rilt. Het was toch zomer?
Ze staat nog steeds net achter de deur, vastgenageld aan de vloer. Ze snakt naar adem. Hoe lang sta ik hier al? Er zijn sinds haar binnenkomst slechts hooguit zestig seconden voorbijgegaan maar voor haar lijken het wel minuten. Wat is hier aan de hand? Dan ineens is ze weer zichzelf.
De winkel, ze is binnen. Ze kijkt eens rond. In de voorkamer, langs de muren, staan allemaal houten kasten vol met oude huishoudelijke artikelen. In het midden staat een grote tafel, met een groot wit tafelkleed, gedekt met antieke borden en een tinnen bestek. Zes stoelen eromheen. Dan is er een soort afscheiding naar de achterkamer, een opening met een gordijn.
Ze is de enige klant, maar ze is niet de enige aanwezige. Ze ziet niemand en ze vraagt zich af of een bel aan de deur haar binnenkomst heeft gemeld. Er komt niemand vanachter het gordijn tevoorschijn.
Het valt niet mee om naar de eerste kast te lopen en te kijken wat daar zoal in te vinden is. Haar benen zijn loom en stijf. De ruimte voelt nog steeds koud, al staan haar haren niet meer overeind op haar armen.
Prullen inderdaad. Sommige dingen heel oud en kapot, sommige dingen nieuw en niet echt bijster interessant. Ze loopt door naar de volgende kast. Halverwege staat ze weer stil, haar oog valt op een pollepel die op de tafel ligt. Ze is verbijsterd.
Die lepel ken ik. En heel even ziet ze zichzelf roeren in een grote ketel. Met die lepel. Haar hand wil de lepel pakken en blijft zo’n tien centimeter boven de tafel hangen. Ze schudt haar hoofd, weg met die rare gedachten mompelt ze tegen zichzelf.. Resoluut draait ze zich om naar de tweede kast en probeert heel aandachtig te kijken wat zich daarin bevindt.  Maar het lukt niet. Iets in haar dwingt haar naar de tafel. Ze pakt een van de stoelen en gaat aan de tafel zitten.
Met de oude lepel in haar hand wordt ze betrapt door de man die ineens vanachter het gordijn komt en in de opening gaat staan. Ze staren elkaar aan. Ik ken hem. Dan ineens ziet ze een glimp van een fornuis achter hem. Het staat in een oude koof. Er staat een ketel op het fornuis. Dat fornuis stond er vroeger niet hoort ze zichzelf zeggen. De man heeft nog steeds niets gezegd en kijkt haar nog steeds vol verbazing aan. Ze ziet zijn mond opengaan maar er komt geen geluid uit.
Er gaat een hele tijd voorbij en dan gaat de man tegenover haar aan de tafel zitten. Ik ken jou, zegt hij. En zij knikt instemmend. Dan is het weer stil.


De stilte wordt ruw onderbroken door het fluiten van de ketel die op het fornuis staat achter het gordijn. Lust je thee? Zonder op een antwoord te wachten staat de man op en verdwijnt achter het gordijn. Ze hoort gerommel met glaswerk en lepeltjes en dan ineens staat hij met een dienblad naast haar. Iets met munt, uit eigen tuin. Tenminste dat denkt ze. Hij zet een glas water voor haar neer met een lepeltje erin. Hij duwt er een paar takken munt in. Even laten staan zo. Hoort ze hem zeggen. Hij zet nog een glas neer, duwt er net zo’n bosje takken in en gaat zitten. Weer tegenover haar.
Dit huis is familiebezit, begint hij te vertellen, al sinds 1789. Mijn over-over-overgrootvader Jan heeft het gebouwd voor zijn dochter toen zij ging trouwen. Ze luistert aandachtig, de koude rillingen negerend.
Jan woonde met zijn gezin in het huis hiernaast, gaat de man verder. Met zijn vrouw, zijn zoon en zijn dochter. Het huis hiernaast had in de voorkamer een klein winkeltje in huishoudelijke artikelen maar toen de zoon des huizes ging trouwen is het winkeltje opgedoekt en is de jonge bruid bij hun ingetrokken. De spulletjes zijn zolang weggeborgen in een schuur van een boer verderop in de straat. Na niet al te lange tijd kreeg ook de dochter een vrijer en besloot Jan een huisje voor haar te bouwen zodat zij daar met haar man kon wonen. Ze konden onmogelijk allemaal in het huis wonen waar ze nu verbleven, zeker nu ook er een baby opkomst was. 
De grond naast het oude huis was geschikt en samen met een paar vrienden, zijn zoon en schoonzoon werd het huis tegen het oude huis gebouwd. Een kamer beneden met een voordeur, een trap achter in het huis en twee kleine kamers boven. Onder de trap was een kleine achterdeur om bij het buitengelegen toilet te kunnen. De twee ramen naast de voordeur waren de enige. De inrichting bestond uit eenvoudig houten meubilair meestal gekregen van vrienden of familie. Het keukengerei werd uit de opslag gehaald bij de boer.
Er werd getrouwd kort nadat het huis helemaal klaar was op 8 juni 1789. De man valt stil. En met een schok beseft ze... het is vandaag 8 juni. Alleen een paar jaar later. Hij roert door zijn thee, haalt de takken munt eruit en begint langzaam te drinken. Ze besluit zijn voorbeeld te volgen en nipt van haar heerlijke thee. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten