Het is juni, midden in de week en het is om tien uur ‘s ochtends
al goed warm. Echt zomerweer. Mooi dagje om te gaan winkelen in een naburig
dorpje denkt ze. Ze geniet langzaam van haar koffie. Kan ik eindelijk dat
winkeltje met prullaria eens gaan bekijken. Misschien kom ik iets leuks tegen.
Tegen twaalf uur stapt ze in haar auto en een kwartiertje
later parkeert ze haar auto op een parkeerterrein ten zuiden van de
winkelstraat. Hier is het gratis....mooi meegenomen, het enige nadeel is dat
dat speciale winkeltje nu helemaal aan het andere eind is.
Het is een oud dorp, misschien zelfs een kleine stad aan een
grote rivier. Ze was hier een keer eerder als kind, jaar of elf. Maar daar kan
ze zich weinig meer van herinneren. De panden in de winkelstraat zijn oud. Op
een van de oudste staat zelfs 1718 op de gevel. Ze dwarrelt van de ene winkel
naar de andere, zonder iets te kopen. Halverwege drinkt ze een espresso bij een
zaak die koffiebonen verkoopt. Ze geniet van de lucht van de verse bonen
terwijl de espresso over haar tong danst. Half drie en de temperatuur is
opgelopen tot zo’n 23 graden. Heerlijk. Dit is genieten en ze denkt aan het
winkeltje met snuisterijen dat op haar wacht.
Tegen vier uur staat ze voor het pand. 1789 is in de klei
geschreven. Beetje onbeholpen handschrift. ze glimlacht en denkt ik zou het
geschreven kunnen hebben. De winkel ligt iets lager dan de andere winkels. De
ramen aan weerszijden van de deur beginnen bij de stoep en om bij de deur te
komen moet ze eerst twee treden naar beneden. Iets houdt haar tegen om
daadwerkelijk die twee stappen te zetten. Dan heeft ze ineens de ronde knop van
de deur in haar handen. Ze staat er zelf van te kijken alsof iemand haar een
duwtje in de rug gaf en haar hand om de knop legde. Ze kijkt verbaasd naar haar
hand en de glad houten deurknop. Ze draait de knop om, heel langzaam en voor ze
het zelf beseft staat ze aan de andere kant van de deur. In de winkel. Raar
dit, alles gebeurt in vlagen, alsof ik zelf niets te zeggen heb. Ze laat de
deurknop los en heeft daar op acuut spijt van. Op het moment dat ze de knop los
laat wordt ze bevangen door een ijzinge kilte. Haar haren staan recht op haar
armen. Ze rilt. Het was toch zomer?
Ze staat nog steeds net achter de deur, vastgenageld aan de
vloer. Ze snakt naar adem. Hoe lang sta ik hier al? Er zijn sinds haar binnenkomst
slechts hooguit zestig seconden voorbijgegaan maar voor haar lijken het wel
minuten. Wat is hier aan de hand? Dan ineens is ze weer zichzelf.
De winkel, ze is binnen. Ze kijkt eens rond. In de voorkamer,
langs de muren, staan allemaal houten kasten vol met oude huishoudelijke artikelen.
In het midden staat een grote tafel, met een groot wit tafelkleed, gedekt met
antieke borden en een tinnen bestek. Zes stoelen eromheen. Dan is er een soort
afscheiding naar de achterkamer, een opening met een gordijn.
Ze is de enige klant, maar ze is niet de enige aanwezige. Ze
ziet niemand en ze vraagt zich af of een bel aan de deur haar binnenkomst heeft
gemeld. Er komt niemand vanachter het gordijn tevoorschijn.
Het valt niet mee om naar de eerste kast te lopen en te
kijken wat daar zoal in te vinden is. Haar benen zijn loom en stijf. De ruimte
voelt nog steeds koud, al staan haar haren niet meer overeind op haar armen.
Prullen inderdaad. Sommige dingen heel oud en kapot, sommige
dingen nieuw en niet echt bijster interessant. Ze loopt door naar de volgende
kast. Halverwege staat ze weer stil, haar oog valt op een pollepel die op de
tafel ligt. Ze is verbijsterd.
Die lepel ken ik. En heel even ziet ze zichzelf roeren in
een grote ketel. Met die lepel. Haar hand wil de lepel pakken en blijft zo’n
tien centimeter boven de tafel hangen. Ze schudt haar hoofd, weg met die rare
gedachten mompelt ze tegen zichzelf.. Resoluut draait ze zich om naar de tweede
kast en probeert heel aandachtig te kijken wat zich daarin bevindt. Maar het lukt niet. Iets in haar dwingt haar
naar de tafel. Ze pakt een van de stoelen en gaat aan de tafel zitten.
Met de oude lepel in haar hand wordt ze betrapt door de man
die ineens vanachter het gordijn komt en in de opening gaat staan. Ze staren
elkaar aan. Ik ken hem. Dan ineens ziet ze een glimp van een fornuis achter
hem. Het staat in een oude koof. Er staat een ketel op het fornuis. Dat fornuis
stond er vroeger niet hoort ze zichzelf zeggen. De man heeft nog steeds niets
gezegd en kijkt haar nog steeds vol verbazing aan. Ze ziet zijn mond opengaan
maar er komt geen geluid uit.
Er gaat een hele tijd voorbij en dan gaat de man tegenover
haar aan de tafel zitten. Ik ken jou, zegt hij. En zij knikt instemmend. Dan is
het weer stil.
De stilte wordt ruw onderbroken door het fluiten van de
ketel die op het fornuis staat achter het gordijn. Lust je thee? Zonder op een
antwoord te wachten staat de man op en verdwijnt achter het gordijn. Ze hoort
gerommel met glaswerk en lepeltjes en dan ineens staat hij met een dienblad
naast haar. Iets met munt, uit eigen tuin. Tenminste dat denkt ze. Hij zet een
glas water voor haar neer met een lepeltje erin. Hij duwt er een paar takken
munt in. Even laten staan zo. Hoort ze hem zeggen. Hij zet nog een glas neer,
duwt er net zo’n bosje takken in en gaat zitten. Weer tegenover haar.
Dit huis is familiebezit, begint hij te vertellen, al sinds
1789. Mijn over-over-overgrootvader Jan heeft het gebouwd voor zijn dochter
toen zij ging trouwen. Ze luistert aandachtig, de koude rillingen negerend.
Jan woonde met zijn gezin in het huis hiernaast, gaat de man
verder. Met zijn vrouw, zijn zoon en zijn dochter. Het huis hiernaast had in de
voorkamer een klein winkeltje in huishoudelijke artikelen maar toen de zoon des
huizes ging trouwen is het winkeltje opgedoekt en is de jonge bruid bij hun
ingetrokken. De spulletjes zijn zolang weggeborgen in een schuur van een boer
verderop in de straat. Na niet al te lange tijd kreeg ook de dochter een vrijer
en besloot Jan een huisje voor haar te bouwen zodat zij daar met haar man kon
wonen. Ze konden onmogelijk allemaal in het huis wonen waar ze nu verbleven,
zeker nu ook er een baby opkomst was.
De grond naast het oude huis was geschikt en samen met een
paar vrienden, zijn zoon en schoonzoon werd het huis tegen het oude huis
gebouwd. Een kamer beneden met een voordeur, een trap achter in het huis en
twee kleine kamers boven. Onder de trap was een kleine achterdeur om bij het buitengelegen
toilet te kunnen. De twee ramen naast de voordeur waren de enige. De inrichting
bestond uit eenvoudig houten meubilair meestal gekregen van vrienden of
familie. Het keukengerei werd uit de opslag gehaald bij de boer.
Er werd getrouwd kort nadat het huis helemaal klaar was op 8
juni 1789. De man valt stil. En met een schok beseft ze... het is vandaag 8
juni. Alleen een paar jaar later. Hij roert door zijn thee, haalt de takken
munt eruit en begint langzaam te drinken. Ze besluit zijn voorbeeld te volgen
en nipt van haar heerlijke thee.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten